skip to Main Content

Pauperparadijs Carré verbijsterend goed ★★★★★

Pauperparadijs Carré Verbijsterend Goed ★★★★★

Een krioelende kluwen in grauwe lompen gehulde lichamen rolt, in het halfduister, traag over de speelvloer. Twee figuren maken zich los uit deze haveloze massa: Teunis en zijn zusje Aagje met hun babybroertje. Het koor zingt Bij ons in de Jordaan. Zonder hela hola. Gedragen tempo. In mineur.

Het publiek had, voordat het doek opging, al even geoefend met dit volkslied, onder leiding van verteller, speler en commentator Paul R. Kooy die ons in een stevige peptalk had verteld wat ons te wachten stond. Een verslag van een 19e-eeuws sociaal experiment van een generaal, Johannes van den Bosch – Dragan Bakema in optima forma – met zijn Maatschappij van Weldadigheid. Help de armoe de wereld uit. Oftewel… help de armoedzaaiers de wereld uit?

Je kunt zelfs appels en peren met elkaar vergelijken. Dat geldt ook voor de theaterbewerking van Suzanna Jansens roman Het Pauperparadijs op het terrein van het gevangenismuseum in Veenhuizen (2016 en 2017) en de voor theater Carré aan gepaste versie van 2018. Op het terrein van het gevangenismuseum konden de makers de prachtige locatie uitbuiten, in het theater kunnen ze de lege ruimte volledig naar hun hand zetten. En dat hebben ze verbijsterend goed gedaan. De ploeg van dertig figuranten in de Drentse voorstelling is nu een professioneel ensemble van dansers en zangers. Het is te zien en zeker ook te horen.

De techniek doet wonderen. Projecties en mobiele decorstukken brengen je naadloos van de verzamelplaats van het Derde Gesticht naar de koloniale residentie in Buitenzorg en dan weer tussen de draaiende stoommachines in de fabriek. Je ziet een schip vol paupers deinen op de woelige baren van de Zuiderzee. Alsof beroemde Vlot van Medusa van de Franse romantische schilder Géricault tot leven komt. Die opeengeperste lijven, die machteloze ontreddering. Kraaien, cirkelend in de wolkenlucht. Paul Kooi, staande aan de mast, die onvermurwbaar het pas gestorven broertje uit de armen van het radeloze meisje grijpt. Eén, twee, drie in godsnaam…

Dat er in die misère ook nog liefde ontluikt, bloeit en verwelkt, ach ja, dat is voor een musical verplichte kost. Wat in de Drentse versie in de scène tussen de korenhalmen zo veelbelovend begonnen was eindigt hier, in Carré, op de grote stille, kille heide tussen mist en nevelflarden. Het allermooiste plaatje. Mooier dan echt. Huiveringwekkend mooi.

Ton de Ket gaat in zijn voorstelling nadrukkelijk in op de actualiteit. Het fenomeen bootvluchtelingen kwam al voorbij, als indringend beeld. Maar daarna ook, en net iets te vaak, net iets te nadrukkelijk, in woord en lied, met een appel op schuld. Onze schuld wel te verstaan. Aan onrecht en onderdrukking, Aan uitbuiting en slavernij.

Ton de Ket heeft gelijk met zijn boodschap. Maar het applaus, nee. Die ovatie zal, vrees ik, het publiek, van blote jurken tot korte broeken, niet op de barricaden brengen.

Bron: Leeuwarder Courant

Back To Top