Wilt u uw verhaal delen over voorouders in de Maatschappij van Weldadigheid? Laat dan hieronder in maximaal 250 woorden uw verhaal achter. Of lees wat anderen hebben gevonden tijdens hun zoektocht. Wie weet raakt u geïnspireerd.

Schrijf uw verhaal

 
 
 
 
 
 
Velden met * zijn verplicht. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Om veiligheidsredenen slaan we je ip-adres op: 54.196.107.247. Het kan zijn dat je bericht pas zichtbaar wordt nadat we het beoordeeld hebben. We houden het recht om berichten te wijzigen, te verwijderen, of niet te publiceren.
Monique schreef op 26 juni 2016:
Hallo allemaal, Ik ben Monique en werk als bedrijfsleider in Lokaal Verhaal. Wij hebben in de winkel een plekje waar men kan kijken of er ook familie in de koloniën hebben gewoond. In het begin wist ik eigenlijk niet wat ik moest verwachten en of ik verhalen kon verwachten. Veel mensen komen met het idee: dat zal wel niet, mijn familie komt hier niet vandaan. Dan gaan we een kijkje nemen op de PC. En vinden dat toch een bekende naam. Voor veel mensen is het een verrassing, omdat er niet over gesproken werd in veel gezinnen. Een zin die ik veel hoor is: "Nee, mijn familie heeft hier niet gezeten." En dan ga je samen zoeken en dan kom je toch iemand tegen en dan staat er Norg . "Zie je wel," hoor je dan, "dat is geen Veenhuizen." Als je dan vertelt dat Veenhuizen vroeger gemeente Norg was is men verbaasd en wil men vaak veel meer weten. Dan verwijs ik mensen naar het Drents Archief. Daar vinden de meeste mensen meer dan bij mij in de winkel. Natuurlijk krijg ik ook mensen te spreken die wel al meer weten. Vaak kan ik dan al niet meer veel voor ze doen, behalve tips geven en hun verhaal aanhoren. Wat ik graag doe. Het is een echte aanwinst voor de winkel en de info die ik kan geven is soms net een extraatje om toch verder te kunnen. Dus deel uw verhalen zodat ze niet verloren gaan. Ik hoor ze graag.
Hallo allemaal,
Ik ben Monique en werk als bedrijfsleider in Lokaal Verhaal. Wij hebben in de winkel een plekje waar men kan kijken of er ook familie in de koloniën hebben gewoond.
In het begin wist ik eigenlijk niet wat ik moest verwachten en of ik verhalen kon verwachten. Veel mensen komen met het idee: dat zal wel niet, mijn familie komt hier niet vandaan.
Dan gaan we een kijkje nemen op de PC. En vinden dat toch een bekende naam. Voor veel mensen is het een verrassing, omdat er niet over gesproken werd in veel gezinnen. Een zin die ik veel hoor is: "Nee, mijn familie heeft hier niet gezeten." En dan ga je samen zoeken en dan kom je toch iemand tegen en dan staat er Norg . "Zie je wel," hoor je dan, "dat is geen Veenhuizen." Als je dan vertelt dat Veenhuizen vroeger gemeente Norg was is men verbaasd en wil men vaak veel meer weten. Dan verwijs ik mensen naar het Drents Archief. Daar vinden de meeste mensen meer dan bij mij in de winkel.
Natuurlijk krijg ik ook mensen te spreken die wel al meer weten. Vaak kan ik dan al niet meer veel voor ze doen, behalve tips geven en hun verhaal aanhoren. Wat ik graag doe.
Het is een echte aanwinst voor de winkel en de info die ik kan geven is soms net een extraatje om toch verder te kunnen. Dus deel uw verhalen zodat ze niet verloren gaan.
Ik hoor ze graag.
Suzanna Jansen schreef op 27 mei 2016:
Laatst ontving ik een opmerkelijk bericht van een lezer van mijn boek. Deze man vertelde een herinnering uit de jaren 50. Hij woonde in Assen, en eens per week, op zondag, kwamen daar met de trein de bezoekers aan voor de gevangenen in Veenhuizen. Ze werden per boevenwagen van Assen naar de gevangenissen gebracht en terug. Dat ‘Hollandse’ volk bestond vooral uit blonde dames: hooggehakt, flink opgemaakt, en met ‘brutale’ blikken. De bewoners langs de Drentse Hoofdvaart spraken er schande van, hoewel de vaders toch ook graag toekeken. Voor de pubers was dat niet weggelegd, die werden van straat verbannen als de dames langskwamen. Maar zoals pubers in alle tijden vonden ze een oplossing. Zolang ze maar naar de kerk gingen, mochten ze ’s zondags best gaan wandelen in het Asserbos. Zodra de ‘Hollandse’ dames aankwamen verscholen ze zich in de struiken. En zo konden ze heimelijk genieten van het zicht op de benen in nylons en de decolleté’s die ze in het dagelijks leven nooit zagen. Wat Veenhuizen allemaal niet heeft gebracht...
Laatst ontving ik een opmerkelijk bericht van een lezer van mijn boek. Deze man vertelde een herinnering uit de jaren 50. Hij woonde in Assen, en eens per week, op zondag, kwamen daar met de trein de bezoekers aan voor de gevangenen in Veenhuizen. Ze werden per boevenwagen van Assen naar de gevangenissen gebracht en terug. Dat ‘Hollandse’ volk bestond vooral uit blonde dames: hooggehakt, flink opgemaakt, en met ‘brutale’ blikken. De bewoners langs de Drentse Hoofdvaart spraken er schande van, hoewel de vaders toch ook graag toekeken. Voor de pubers was dat niet weggelegd, die werden van straat verbannen als de dames langskwamen. Maar zoals pubers in alle tijden vonden ze een oplossing. Zolang ze maar naar de kerk gingen, mochten ze ’s zondags best gaan wandelen in het Asserbos. Zodra de ‘Hollandse’ dames aankwamen verscholen ze zich in de struiken. En zo konden ze heimelijk genieten van het zicht op de benen in nylons en de decolleté’s die ze in het dagelijks leven nooit zagen.
Wat Veenhuizen allemaal niet heeft gebracht...
Jan Weits schreef op 11 mei 2016:
Eind maart hadden wij een familie reünie in Veenhuizen, daar werd ons door de gids in de boevenbus verteld dat er een boek was geschreven door Suzanna Jansen, “Het Pauperparadijs”, wat een must was om te lezen. Mijn vrouw heeft het boek eerst gelezen, mijn nieuwsgierigheid was gewekt toen ze er iets over vertelde. Ik heb het met veel plezier en tevens ongeloof gelezen, ik moet Suzanna Jansen een groot compliment maken over de manier waarop zij het verhaal vertelt over haar familie in Veenhuizen en daarna in Amsterdam.  Het geeft ook van haar een beeld van doorzetting en volharding, om boven water te krijgen wat haar familie is overkomen. Hieruit blijkt denk ik dat zij veel van het karakter van haar overoma en oma heeft meegekregen. Wij wisten uiteraard wel dat je in Veenhuizen beter niet kon komen, doch de manier hoe zij de omstandigheden beschrijft, is of je het met eigen ogen ziet. Ik heb menig traan moeten weg wissen. Mijn familie komt ook uit Drenthe, maar aan de oostkant van de veenkoloniën, waar het in de vervening in die tijd ook bittere armoede was. In het boek lazen wij over Ds Germs, de familie Germs komt van oorsprong uit Drenthe. Omdat mijn moeder haar meisje naam Germs  is, was onze nieuwsgierigheid gewekt. Er bestaat een boek over de familie Germs geschreven door Ds. W. Chr. Germs. Ds. Wessel Enno Pieter Germs dominee te Veenhuizen wordt in dat boek genoemd en was een leeftijdgenoot van mijn opa, Jan Germs te Valthermond. Mijn opa is geboren in 1875 en Ds. Germs in 1878. Zeer waarschijnlijk heeft deze dominee, wat een ver familielid van mij is, contact gehad met haar familie in Veenhuizen. Suzanna, hartelijk dank voor dit ontroerend document. Jan Weits Stadskanaal
Eind maart hadden wij een familie reünie in Veenhuizen, daar werd ons door de gids in de boevenbus verteld dat er een boek was geschreven door Suzanna Jansen, “Het Pauperparadijs”, wat een must was om te lezen.

Mijn vrouw heeft het boek eerst gelezen, mijn nieuwsgierigheid was gewekt toen ze er iets over vertelde.

Ik heb het met veel plezier en tevens ongeloof gelezen, ik moet Suzanna Jansen een groot compliment maken over de manier waarop zij het verhaal vertelt over haar familie in Veenhuizen en daarna in Amsterdam. 

Het geeft ook van haar een beeld van doorzetting en volharding, om boven water te krijgen wat haar familie is overkomen. Hieruit blijkt denk ik dat zij veel van het karakter van haar overoma en oma heeft meegekregen.

Wij wisten uiteraard wel dat je in Veenhuizen beter niet kon komen, doch de manier hoe zij de omstandigheden beschrijft, is of je het met eigen ogen ziet. Ik heb menig traan moeten weg wissen.

Mijn familie komt ook uit Drenthe, maar aan de oostkant van de veenkoloniën, waar het in de vervening in die tijd ook bittere armoede was.

In het boek lazen wij over Ds Germs, de familie Germs komt van oorsprong uit Drenthe. Omdat mijn moeder haar meisje naam Germs  is, was onze nieuwsgierigheid gewekt. Er bestaat een boek over de familie Germs geschreven door Ds. W. Chr. Germs. Ds. Wessel Enno Pieter Germs dominee te Veenhuizen wordt in dat boek genoemd en was een leeftijdgenoot van mijn opa, Jan Germs te Valthermond. Mijn opa is geboren in 1875 en Ds. Germs in 1878. Zeer waarschijnlijk heeft deze dominee, wat een ver familielid van mij is, contact gehad met haar familie in Veenhuizen.

Suzanna, hartelijk dank voor dit ontroerend document.

Jan Weits
Stadskanaal
Geert Groen schreef op 29 april 2016:
De Pol, in de streek ook wel de jodenpolle genoemd, is mijn geboortedorp. Mijn opa verzorgde daar ruim 80 jaar geleden voor de wildernis van een joods kerkhofje, in 1937 was het netjes en kwam er een gedenksteen en een krantenberichtje. Drie jaar geleden kwam ik dat berichtje tegen en begon het speurwerk naar de joodse kolonisten, die tussen 1820 en 1890 in het zuidoosten van de derde kolonie woonden, Willemsoord. Bijna 550 joden in ruim 70 gezinnen en bijna 40 ingedeelde joden, merendeels uit Amsterdam, met een synagoge, schooltje, badhuis en rabbi, met veel verhalen over arme joodse mensen die net als de andere kolonisten aan de armoede wilden ontsnappen, maar ook streefden naar die eigen joodse identiteit. Meer weten? "Joden op De Pol" (Google op geertgroen2).
De Pol, in de streek ook wel de jodenpolle genoemd, is mijn geboortedorp. Mijn opa verzorgde daar ruim 80 jaar geleden voor de wildernis van een joods kerkhofje, in 1937 was het netjes en kwam er een gedenksteen en een krantenberichtje. Drie jaar geleden kwam ik dat berichtje tegen en begon het speurwerk naar de joodse kolonisten, die tussen 1820 en 1890 in het zuidoosten van de derde kolonie woonden, Willemsoord. Bijna 550 joden in ruim 70 gezinnen en bijna 40 ingedeelde joden, merendeels uit Amsterdam, met een synagoge, schooltje, badhuis en rabbi, met veel verhalen over arme joodse mensen die net als de andere kolonisten aan de armoede wilden ontsnappen, maar ook streefden naar die eigen joodse identiteit. Meer weten? "Joden op De Pol" (Google op geertgroen2).
Suzanna Jansen schreef op 20 april 2016:
Ik had in het bevolkingsregister van Amsterdam gezien dat mijn overgrootvader in 1900 was vertrokken naar ‘Rijkswerkinrichting Veenhuizen’. Om meer te weten te komen, ging ik naar het Drents Archief in Assen. Daar kon ik het inschrijvingsregister van Veenhuizen inzien. Het was een wonderlijke ervaring. Tussen de namen van al die tienduizenden ongelukkigen zag ik ineens de zijne: Harmen Keijzer. En toen kon ik me voorstellen hoe hij daar in het kantoor van de directeur had gestaan. Hij had anderhalf jaar gezworven en drie weken in een politiecel gezeten. Hij moet zich klein en ellendig hebben gevoeld, en hij was zeker niet schoon. De directeur, machtig, goed gekleed en zittend achter een imposant bureau, zag de zoveelste zwerver die hij moest inschrijven. Naam, geboortedatum, beroep. Daarna besloot hij dat deze vagebond de komende drie jaar in het Eerste Gesticht zou doorbrengen. Harmen had opgegeven dat hij schoenmaker was, dus zou hij gaan werken in de schoenmakerij. Om dit te bezegelen, en om duidelijk te maken dat het onderhoud nu voorbij was, zette de directeur een ferme, zelfbewuste handtekening. In het register zie ik de handtekening van mijn overgrootvader daarnaast. Die was klein en bibberig. Ik had met hem te doen. Maar wat me nog meer raakte, was dat er later nog een opmerking bij zijn naam was geschreven. Op de andere bladzijden van het register zag ik dat zo’n opmerking niet vaak voorkwam. Er stond: ‘vakkennis zeer goed.’ Ik was blij om dat te lezen.
Ik had in het bevolkingsregister van Amsterdam gezien dat mijn overgrootvader in 1900 was vertrokken naar ‘Rijkswerkinrichting Veenhuizen’. Om meer te weten te komen, ging ik naar het Drents Archief in Assen. Daar kon ik het inschrijvingsregister van Veenhuizen inzien. Het was een wonderlijke ervaring. Tussen de namen van al die tienduizenden ongelukkigen zag ik ineens de zijne: Harmen Keijzer. En toen kon ik me voorstellen hoe hij daar in het kantoor van de directeur had gestaan. Hij had anderhalf jaar gezworven en drie weken in een politiecel gezeten. Hij moet zich klein en ellendig hebben gevoeld, en hij was zeker niet schoon. De directeur, machtig, goed gekleed en zittend achter een imposant bureau, zag de zoveelste zwerver die hij moest inschrijven. Naam, geboortedatum, beroep. Daarna besloot hij dat deze vagebond de komende drie jaar in het Eerste Gesticht zou doorbrengen.
Harmen had opgegeven dat hij schoenmaker was, dus zou hij gaan werken in de schoenmakerij. Om dit te bezegelen, en om duidelijk te maken dat het onderhoud nu voorbij was, zette de directeur een ferme, zelfbewuste handtekening. In het register zie ik de handtekening van mijn overgrootvader daarnaast. Die was klein en bibberig. Ik had met hem te doen.
Maar wat me nog meer raakte, was dat er later nog een opmerking bij zijn naam was geschreven. Op de andere bladzijden van het register zag ik dat zo’n opmerking niet vaak voorkwam. Er stond: ‘vakkennis zeer goed.’ Ik was blij om dat te lezen.