Op een nacht in 1826 worden alle kinderen van het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam gedeporteerd, waaronder Teunis en zijn broertje en zusje. De politie zet ze op een schip over de Zuiderzee naar Veenhuizen. De ouders van Teunis, die hun kroost uit armoede hebben afgestaan, zijn radeloos. Teunis houdt de moed erin, ondanks dat zijn broertje de barre reis niet overleeft. Teunis wordt verliefd op bewakersdochter Cato. Ze overwinnen het standsverschil en vertrekken uit Veenhuizen. Door tegenslagen moeten ze echter met hangende pootjes terugkeren. Teunis is murw geslagen, maar Cato wil nog steeds ontsnappen. Over hun hoofden heen converseren twee heren over het heropvoeden van de paupers. In onze interpretatie blijkt Veenhuizen het resultaat te zijn van een weddenschap: prins Willem, de latere koning Willem II, denkt dat er met het lage volk niets valt aan te vangen, generaal Johannes van den Bosch wil het tegendeel bewijzen. Ze schuiven op hun speelveld met situaties, regels en mensen om het effect te testen.