Eerste deel
Teunis woont met zijn zusje Aagje en broertje Japie in het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht. De kinderen zijn echter geen wezen, hun ouders leven nog. Maar net als bij veel andere paupers zijn de ouders te arm om voor hun kroost te zorgen. Teunis probeert met klusjes en stelen het hoofd boven water te houden. We horen hoe een zekere Generaal van den Bosch het probleem van de armoede probeert op te lossen met gestichten in Veenhuizen. Dat klinkt mooi, maar dan overvallen veldwachters op een nacht het complete Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam. 

Tweede deel
Teunis en Aagje komen aan in het Derde Gesticht van Veenhuizen, maar Teunis zweert zijn zusje dat ze zo snel mogelijk terug zullen gaan naar huis. Hij doet zijn best op school, spaart en trapt geen rotzooi. Hij krijgt alleen wel te maken met gestichtsdirecteur Schepenaar die hem veel te brutaal vindt.
Maar dan ziet hij Teunis het leukste meisje lopen dat hij ooit heeft gezien, Cato Braxhoofden. Intussen zien we hoe generaal Johannes van den Bosch zijn Maatschappij van Weldadigheid heeft opgericht, met toestemming van Koning Willem I. De generaal heeft grootse idealen, hij wil de armoede in Nederland uitroeien. De verteller echter heeft de nodige vraagtekens bij zijn plannen. Gaandeweg ontwikkelt zich een discussie tussen de generaal en de verteller, en onthult de generaal wat hen bindt.

Derde deel
Teunis en zijn geliefde Cato zijn doorzetters, maar de problemen stapelen zich op, tot er bijna geen uitweg meer is. Johannes van den Bosch is inmiddels gouverneur-generaal geworden in Nederlands-Indië. Maar dat maakt hem niet minder gedreven om van zijn Maatschappij van Weldadigheid een succes te maken.  Hij verzint de ene oplossing na de andere. Uiteindelijk bereikt het dispuut tussen de generaal en de verteller een kookpunt. En weet de verteller eindelijk waar hij staat. Intussen neemt ook het leven van Teunis en Cato een onomkeerbare wending.